Press "Enter" to skip to content

De Stilte

Genomineerd voor de 1982 Hugo Award
Genomineerd voor de 1982 Nebula Award
Genomineerd voor de 1982 Locus Award

Kuara, mijn zoon, de Blanken hebben de maan gestolen. 

Buiten het raam is de lucht zwart. Een blauwwitte schijf hangt tussen de sterren. Het is de aarde, zegt dokter Stefanko. Ik jank en sla met mijn vuisten. Riemen binden me aan een bed. 

Dokter Stefanko duwt mijn schouders omlaag, zwabbert over mijn arm. “Omdat je niet stil kunt blijven liggen, moet ik je weer onder narcose brengen,” zegt ze glimlachend. 

Ik lig rustig.

Het is niet de Aarde. De Aarde is bruin. De aarde is Kalahari.

“Je bent op de maan,” zegt dokter Stefanko. Het is de tweede of derde keer dat ze het me vertelt; ik ben wakker geworden en in slaap gevallen, wakker geworden en in slaap gevallen tot ik niet meer zeker weet welke stemmen droom zijn en welke echt, als ze al echt zijn. Iets prikt in mijn huid. “Rust nu. Je hebt lang geslapen.”

Ik weet nog dat ik de eerste keer wakker werd.  Wit.  Alles wit.  De kamer wit, dokter Stefanko wit, een witte geur, witte doeken die me bedekten.  Buiten, duisternis en de blauw-witte schijf.

“Op de maan,” zeg ik.  Mijn ledematen voelen zwaar aan.  Mijn hoofd tolt.  De slaap sleept aan mijn vlees.  “De maan.”

“Is het niet prachtig?”

“En jij zegt mijn man, /Tuka-dood.”

Haar lippen verstrakken.  Ze kijkt me plechtig aan.  Haar hand, koele hand, streelt mijn voorhoofd.  “Hij heeft de slaap niet overleefd.”

“De maan is hol,” zeg ik haar.  “Iedereen weet dat. De doden slapen daar.”  Ik staar naar het plafond.  “Ik leef en ben op de maan.  /Tuka is dood maar is niet hier.”  De woorden lijken uit mijn mond te zweven. Er zijn kleine stipjes op het plafond.

“Slaap nu maar. Goed zo. We praten later wel verder.” 

“En Kuara.  Mijn zoon.  Levend.”  De stippen draaien rond.  Ik sluit mijn ogen. De stippen blijven ronddraaien.

“Ja, maar…”

De stippen. De stippen.

*

“Ongeveer honderd jaar geleden werd een wet opgesteld om bedreigde diersoorten te beschermen – dieren die, als de mensheid niet oppaste, zouden kunnen uitsterven,” zegt dokter Stefanko.  Haar gezicht is niet langer wazig. Ze heeft grijs haar, getrokken wangen, droevige ogen.  Ik heb haar ergens gezien – lang voordat ik naar deze plek werd gebracht.  Ik kan me niet herinneren waar. De herinnering glijdt weg. Ontzetting spookt door mijn hart.

!Gai, gekleed in een kielbroek, staat grijnzend bij het raam. De blauwwitte schijf die Dokter Stefanko Aarde noemt, omsluit zijn hoofd. Zijn grote tong steekt uit waar zijn voortanden ontbreken. Zijn schouders hellen als die van een hartebeest. Zijn borst, leerachtig en gerimpeld, is getooid met haar dat grijs begint te worden. Ik ben niet verbaasd hem te zien, na zijn verraad. Hij doet n/um kloppen in mijn buik. Ik kijk de andere kant op.

“Toen werd de wet uitgebreid om bedreigde volkeren op te nemen. Volkeren zoals de /Gwi.” Dokter Stefanko glimlacht moederlijk en drukt haar wijsvinger tegen mijn neus. Ik draai mijn hoofd. Ze fronst haar wenkbrauwen. “Het is duidelijk dat het onmogelijk zou zijn om hele stammen te redden. Dus deden de oprichters van de wet wat hen het beste leek. Ze hebben bepaalde vertegenwoordigers gered. Jij. Je familie. Een paar anderen, zoals !Gai. Deze vertegenwoordigers werden bevroren.”

“Bevroren?”

“Koud gemaakt.”

“Zoals tijdens !gum, wanneer ijs zich vormt in het struisvogel-ei vat?”

Het was geen droom, dus. Ik herinner me dat ik door een blauwe, gekreukelde glans staarde. 

Als licht gezien door een slangenhuid. Ik kon me niet bewegen, hoewel mijn binnenste nooit ophield met rillen. Dus dit is de dood, bleef ik denken. Een afschuwelijk iets, de dood. 

“In de tussentijd werd je hier naar de maan gebracht. Naar Carnaval. Het is een mooie plaats. Een echt internationale faciliteit.  Dit zal nu je thuis zijn, !U.”

“En Kuara?

“Hij zal hier met jou wonen, mettertijd.” Weer die verkramping van de lippen. Angst raakt me. Dan zegt ze: “Zou je hem willen zien?” Een deel van de angst glijdt weg.

“Is dat verstandig, Dokter?” vraagt !Gai. “Deze is opvliegend.” Zijn ogen grijnzen op me neer. Hij staart naar mijn bekken.

“Oh, we zullen het wel redden. Je zal een braaf meisje zijn, of niet, !U?”

Mijn hoofd knikt. Mijn hart zegt geen ja of nee.

De riemen springen met een luide klik weg. Dokter Stefanko en !Gai helpen me overeind. De wereld wiebelt. De aardschijf kantelt en schommelt. De vloer schuift de ene kant op, dan de andere kant. Naalden tintelen in mijn voeten en handen. Ik word in een stoel geholpen. Nog meer geklik. De deur gaat sissend open en de stoel zweeft naar buiten, Dokter Stefanko voorop, !Gai hobbelt achter ons aan. We gaan door de ene gang na de andere. Dit is een plek van hoeken. 

Geen rondingen, behalve de glimlach van de Blanken als we passeren. En ze buigen te veel. 

Een andere deur sist. We komen in een kamer vol kou. Blauw glas, de binnenkant doorweven met vorst, strekt zich uit van vloer tot plafond langs elke muur. Bevroren figuren staan achter het glas. Ik herinner me deze plek. Ik herinner me hoe traag de haat in mijn hart was.

“Kuara is aan het einde,” zegt dokter Stefanko, haar adem wit.

De stoel zweeft dichterbij. Mijn benen stoten tegen het glas; de kou schokt mijn knieën. De stoel trekt zich terug. Ik leun voorover. Door het glas zie ik de gesloten ogen van mijn zoon. Zijn wimpers en wenkbrauwen zijn bedekt met ijs. Zijn hoofd is naar één kant gekanteld.  Zijn armpjes bungelen. Ik raak het glas aan, ondanks de kou. Ik hoor !Gai’s scherpe ademhaling en hij trekt mijn schouders terug, maar dokter Stefanko legt een hand op !Gai’s pols en ik ben bevrijd. Het glas geeft mee. Niet zoals dat op de vrachtwagens in het tsama-gebied. Mijn n/um stijgt. Mijn hart klopt sneller. N/um dringt mijn armen binnen, overspoelt mijn vingers. “Kuara,” fluister ik. De warmte verspreidt zich over het glas. Het maakt een kleine, rafelige cirkel.

“Hij wordt hier weggehaald zodra je de aanpassing hebt gedaan,” zegt dokter Stefanko.

Kuara. Als ik maar kon dansen. N/um zou in me koken. Ik zou kunnen !Kia. Ik zou de geesten van de kou wegjagen. Als je zou ontwaken, zou je door het glas in mijn armen stappen.

*   

Hoewel we vaak gebrek aan water hadden, waren we niet ongelukkig. De tsama meloenen steunden ons. Het was een groot areaal, en door zuinig te zijn konden we het lange tijd uithouden zonder naar de waterpoelen te hoeven reizen. Blanken en tamme Bosjesmannen hadden de /Gam en Gautscha Pannen overgenomen, en de mensen daar, de !Kung, waren ofwel weggelopen of waren gebleven voor het water en werkten nu op de boerderijen van de Blanken en aten maïsmeel.

We waren met z’n elven, maar soms waren het er een of twee meer. !Gai, de vrijgezel, was een van degenen die kwamen en gingen. /Tuka zei dan: “Je kunt ons altijd op drie handen tellen, maar nooit op twee of vier handen.” Dan lachte hij. Hij lachte altijd. Ik denk dat hij lachte omdat er zo weinig wild was in de buurt van de !A Ha !O Pan, ons huis. De weinige duikers en steenbokken die ooit op onze vlakte rondzwierven, hadden de komst van de Blanken en de vluchtende !Kung geroken, en waren weggelopen. /Tuka lachte om de lege plekken op te vullen. 

Soms, als hij springhazen en stekelvarkens aan het vangen was, hielp hij mij met het verzamelen van hout en knollen. We groeven !xwa wortels en =koa, de waterwortel diep begraven in de aarde, tot onze armen pijn deden. Soms sloegen we met stokken op de n=a bomen, waardoor de zoete bessen vielen, en /Tuka achtervolgde me dan, lachend en gillend als een bezetene. Op zulke momenten vroeg ik me af waarom ik hem ooit zo had gehaat.

Ik heb me daar veel over afgevraagd tijdens de !Kuma, een heet seizoen waarin de hongerdood ons achtervolgde. Overdag trok ik mijn karos uit, groef een ondiepe kuil in de weinige schaduw die een =/uristruik bood, plaste dan in het zand, bedekte mezelf met meer zand en legde een blad over mijn hoofd.

Wij drieën – /Tuka, Kuara en ik – lagen naast elkaar als dode mensen.

“Mijn hart is bedroefd van de honger,” zong ik de hele dag voor mezelf. “Als een oude man, ziek en traag.” Ik dacht aan de slechte dingen, toen. Mijn ouders hadden me uitgehuwelijkt aan /Tuka voor ik er klaar voor was, omdat hij hen nieuwe karossen bracht. /Tuka trouwde met me voor ik er klaar voor was. Alles voordat ik er klaar voor was. Soms bad ik in de bladeren dat een paouw naar beneden zou vliegen en zijn penis als een dikke rups zou zien.

Op een nacht strikte /Tuka een honingdas. Een das, tijdens !kuma ! Iedereen was opgewonden. /Tuka zei: “Gisteren, toen we sliepen, zei ik tegen het land dat mijn !U honger had, en dat ik vlees voor haar en Kuara moest hebben.” De das was heel mals. !Gai at zijn deel en ging bedelen, hoewel hij nog nooit vlees naar het kamp had gebracht. Toen het vlees op was, roosterden we gawortels en zongen en dansten we terwijl /Tuka op de //gwashi speelde. Ik danste trots, niet voor /Tuka, maar voor mezelf. N/um kwam uit mijn onderbuik en kwam kokend omhoog langs mijn ruggengraat. Ik was bang, want als n/um mijn schedel bereikt, ga ik !kia. 

Dan zie ik geesten mensen doden en ruik ik de rottende geur van de dood, als rotte karkassen. /Tuka nam mijn hoofd in zijn handen. “Je mag niet praten,” zei hij. “Niet nu. Je lichaam zal te veel lijden onder de visioenen. Hij hield me naast het vuur en aaide me, en n/um zakte weg. 

“Als ik overdag in het zand lig, droom ik dat ik in een grote baobabboom ben geklommen,” zei hij. “Ik kijk vanuit de boomtop naar buiten en het land wemelt van de dieren. Giraffen en gnoes en koedoes. Je moet deze dieren doden en naar Kuara en !U brengen voordat de Blanken ze doden,’ zegt mijn droom.”

Toen vroeg hij: “Waar denk je aan als je daar ligt, !U?”

Ik antwoordde niet. Hij glimlachte. Zijn ogen, vochtig, glinsterden van het vuurlicht. Misschien dacht hij dat ik m’n tong had stilgehouden.

De volgende dag kwam de stilte. Terwijl ik onder het zand lag, voelde ik n/um in mijn buik kloppen. 

Ik vocht tegen de angst die het altijd met zich meebracht. Ik riep niet naar /Tuka. Het pulseren nam toe. Ik begon te beven. Het zweet liep over mijn gezicht. N/um kookte in me. Het drong mijn ruggengraat binnen en duwde naar mijn keel. Mijn ogen waren wijd opengesperd en ik bleef naar de nerven van het blad staren uit diepe angst.. Ik voelde mezelf verstijven en rillen tegelijk. Mijn hoofd bonkte; het was zo groot als een /ga wortel. Ik kon mijn mond sputterende geluiden horen maken, zoals Kuara altijd aan mijn borst deed. De druk in mij bleef maar opbouwen en opbouwen.

En plotseling was het weg. Het begroef zich in de aarde en nam mijn dagdromen mee. Ik ging naar beneden, naar beneden in het zand. Ik passeerde =ubbee wortels en dieren lang dood, hun botten gebleekt en vergeten. Ik kwam bij een waterpoel ver onder de grond. /Tuka lag in het water. Kuara ook. Hij zag er jonger uit, nauwelijks oud genoeg om te waggelen. Ik deed mijn karos uit, en wij drieën hielden elkaars hand vast en dansten, naakt, spetterend. Ik werd niet gegrepen door n/um. Geen huwelijksdrang om /Tuka te grijpen. Alleen stilte en gelach.

*

“Dit wordt je nieuwe thuis, !U,” zegt dokter Stefanko terwijl ze een deur opent. Ze heeft me een nieuwe karos gegeven; van echte gemsbok, vertelt ze me, hoewel ik niet zeker weet waarom ze er zo over spreekt. Als ze haar hand op mijn rug legt en me naar voren duwt, voelt de karos zacht en glad aan tegen mijn huid. “We denken dat het je zal bevallen; en als er iets is dat je nodig hebt -“

Ik grijp de zijkanten van de deur en wend mijn gezicht af. Ik wil hier niet wonen of zelfs maar naar de plek kijken. Maar haar geduw wordt steviger, en ik strompel naar binnen. Ik bedek mijn gezicht met mijn handen.

“Rustig, rustig” zegt dokter Stefanko. 

Ik kijk door mijn vingers. 

We zijn in Kalahari.

Ik draai me langzaam om, mijn hart glunderend en zingend. Geen deur. Geen muren. Geen hoeken. Het zandveld strekt zich uit onder een wolkenloze hemel. Eindeloos bleekgoud gras omringt verspreide witdoorns en tsi’; in de verte verheffen zich enkele acacia’s met platte toppen en zelfs een mongongo boom. Een dassie dartelt in en uit een rotsachtige kranze. 

“Hier is misschien een goede plek voor je tshushi – je schuilplaats,” zegt dokter Stefanko, terwijl ze me naar voren trekt. Ze gaat het hoge gras in, buigt, komt glimlachend overeind, met takken in haar ene hand, sansevieria vezels in de andere. “Zie je? We hebben zelfs wat van de materialen die je nodig zult hebben, gesneden.”

“Maar hoe…”

“De maan is toch niet zo’n verschrikkelijke plek.” Ze stapt terug door het gras. “En wij hier bij Carnaval zijn toegewijd om je verblijf zo aangenaam mogelijk te maken. Kijk hier maar.” Ze beweegt een steen. Een rij knoppen glinstert. “Draai aan deze knop, en je kan je weer regelen; niet langer lijden door die vreselijke warme en koude seizoenen. Tenzij je dat wilt, natuurlijk,” voegt ze er snel aan toe.  “En van tijd tot tijd zullen er aardige mensen op je neerkijken… naar jou. Van daarboven, vanuit de lucht.” Ze maakt een zwaai met haar arm. “Ze willen zien hoe je leeft; jij – en anderen zoals jij – bent nogal een sensatie, weet je.” 

Ik staar haar aan zonder het te begrijpen. 

“Hoe dan ook, als je ze wilt zien, draai je gewoon aan deze knop. En als je wilt horen wat de monitor over je zegt, draai je aan deze.” Ze kijkt op, ziet mijn verwarring. “Oh, maak je geen zorgen; de monitor vertaalt alles. Het is een prachtig apparaat.”

Staand pakt ze mijn armen vast. Haar ogen staan liefdevol. “Zie je, !U, er is geen Kalahari meer op Aarde – niet zoals jij hem kende in ieder geval – dus hebben we een andere gemaakt. In sommige opzichten zal het niet zo goed zijn als wat je gewend was, in veel opzichten zal het beter zijn.” Haar glimlach komt terug. “We denken dat je het leuk zal vinden.”

“En Kuara?”

“Hij is nu aan het wakker worden.  Hij zal zich snel bij je voegen.” Ze omhelst me. “Binnenkort.” 

Dan loopt ze terug in de richting waar we vandaan kwamen, snel vervagend in de verte. Ze is weg. Een sluier van warmte glinstert boven het gras waar de deur geweest leek te zijn. Even denk ik eraan om haar te volgen. Uiteindelijk haal ik mijn schouders op. Ik werk aan de bouw van mijn tshushi. Ik werk langzaam, methodisch, mijn hoofd vol gedachten. Ik denk aan Kuara, en iets knaagt aan me. Ik laat de vezel die ik vasthoud vallen en begin naar de tegenoverliggende horizon te lopen, waar een giraffe van de mongongoboom aan het eten is.

Sprinkhanen, !kxon mieren, mestkevers huppelen en kruipen tussen het gras. Leguanen wemelen over de grond. Een moltslang zoekt een hol onder een =uri struik. Ik loop snel, het zand warm maar niet heet onder mijn voeten. De vlakte is zonovergoten, de weinige kleine omirimbi waterlopen zijn uitgedroogd en gebarsten, maar ik voel weinig dorst. Een steenbok springt in dekking achter een witte doorn. 

Dit is een goede plek, besluit een deel van mij. Hier zal Kuara de jager worden die Tuka niet kon zijn. Kuara zal nooit lachen om het verdriet buiten te sluiten.

De horizon komt niet dichterbij. 

Ik meet de giraffe met mijn duim, loop duizend passen, meet opnieuw, loop nog eens duizend passen, meet opnieuw. De giraffe verandert niet van grootte. 

Ik loop er nog duizend. Dan keer ik om en maak ik de tshushi af.

Honderd passen verder bots ik tegen iets hards op.

Een muur.

Daarachter gaat de giraffe door met eten.

*

De Blanken met de Land Rovers kwamen tijdens !ga, het heetste seizoen. De vrachtwagens scheurden en bulderden over het zand. /Tuka nam Kuara mee en haastte zich naar hen toe. Ik ging ook, al liep ik met de andere vrouwen achteraan. Er waren enkele blanke mannen en enkele Bantoe. Gai stond in de voorste truck, zwaaiend en grijnzend.

Een blanke, blonde vrouw klom eruit. Ze droeg een witte korte broek en een lichtbruin shirt met opgestroopte mouwen. Ik herkende haar onmiddellijk. Dokter Morse kwam ons weer bestuderen. /Tuka had gezegd dat de Blanken zich niet verwonderden over hun eigen cultuur, dus bestudeerden ze graag de onze.

Ze praatte lang met ons vrouwen, vroeg naar onze families en hoe we dachten over SWAPO, het Volksleger. Iedereen sprak tegelijk. Ze bleef met haar handen wapperen om stil te zijn.

“Wat denk je, !U” vroeg ze dan. “Wat is jouw mening ?” 

Ik zei dat we het aan /Tuka moesten vragen. Hij was een man en begreep zulke dingen. Dokter Morse fronste zijn wenkbrauwen, dus zei ik dat SWAPO geen mensen zou moeten doden. SWAPO moet mensen met rust laten. Dokter Morse schreef in haar notitieboekje terwijl ik praatte. Ik was tevreden. De andere vrouwen waren erg jaloers.

Dokter Morse vertelde ons dat de oorlog in Zuid-Afrika slecht verliep; binnenkort zou het deze kanten bereiken. Toen /Tuka klaar was met het bekijken van de motoren vroeg ik hem wat dokter Morse bedoelde met “slecht”. Slecht voor de zwarten, of slecht voor de blanken. Slecht voor die in het zuiden, of die in de Kalahari. Hij wist het niet. Niemand van ons vroeg het aan dokter Morse. 

Toen zei ze, “We hebben water meegebracht. Veel water. We hebben gehoord dat jullie zonder hebben gezeten.” Haar haar viel op door het zonlicht. Ze was erg mooi voor een blanke vrouw.

We glimlachten maar weigerden haar aanbod. Ze fronste haar wenkbrauwen maar leek niet boos. Misschien dacht ze dat het kwam omdat ze blank was. Als dat zo was, had ze het mis. 

“Nu, ga in ieder geval een ritje maken in de vrachtwagens,” zei ze stralend. /Tuka lachte en liep, Kuara bij de hand nemend, naar de twee Land Rovers. Ik schudde mijn hoofd. “Je moet echt gaan,” zei dokter Morse. “Het zal goed voor je zijn.”

“Dat is iets voor mannen,” zei ik tegen haar. “Vrouwen begrijpen die dingen niet.”

“Het enige wat ze gaan doen is achterin rijden!”

“Vrachtwagens. Jagen. Vuur. Dat zijn mannen dingen,” zei ik.

Slechts een van de vrachtwagens kwam terug. Iedereen behalve /Tuka, Kuara en enkele Bantoe’s kwamen terug. “De truck zit vast in het zand,” zei !Gai. “De Blanken hebben besloten tot zonsopgang te wachten om hem eruit te trekken.  /Tuka zei dat hij ernaast zou slapen. Je weet hoe hij is wanneer het over vrachtwagens gaat!” Iedereen lachte. Behalve ik. Een lege plek klopte in mijn hart.

Toen kwam de regen. Het was !ga !go, een mannelijke regen. Het stroomde sterk en plotseling naar beneden, niet gelijkmatig en zacht, de vrouwelijke regen die het land met water vult. 

Regen, tijdens !ga ! Iedereen schreeuwde en danste uit vreugde. Zelfs de Blanken dansten. Een mirakel! Zeiden de mensen. Ik dacht aan de honingdas die gevangen was tijdens !kuma, en was bang. Ik voelde me alleen. Ondanks mijn angst, of misschien net daardoor, deed ik iets dwaas. Ik sliep ver weg van de anderen.

In de nacht raakte de stilte me weer. N/um ontkrulde in mijn buik. Ik wenkte het niet. Ik zweer dat ik dat niet deed. Ik dacht er niet eens aan. Terwijl ik sliep, voelde ik hoe mijn lichaam zich samenkneep. In mijn dromen kon ik mijn ademhaling horen, oppervlakkig en snel. Angst greep me en deed me schudden als een twijg van een struik. Ik zonk weg in de aarde. /Tuka en Kuara stonden ineengezakt in stomend, enkeldiep water bij de waterpoel waar we hadden gedanst. Kuara droeg de kop van een gnoe; de ogen waren uitgesneden en vervangen door smeulende kolen. “Ren weg, moeder,” bleef hij zeggen.

Ik werd wakker door schaduwen. Een vluchtige duisternis overviel me voordat ik me kon bewegen. Ik zag !Gai grijnzen onder de maan. Toen werd er een hand over mijn mond geslagen.

*

Dokter Stefanko komt terug als ik klaar ben met de hut. Zij en !Gai brengen wrattenzwijn en koedoe huiden, stekelvarken stekels, schildpad schelpen, struisvogeleieren, een slijpsteen, een priem, twee assagai messen, potten van Bantu klei. Veel dingen. !Gai grijnst terwijl hij ze neerzet.

Later brengt dokter Stefanko Kuara.

Hij komt aangesprint, slungelig, het gras bijna tot aan zijn kin. “Mama!” roept hij, “Mama!  Mama!” Ik neem hem in mijn armen, wervelend en lachend. Ik leg mijn handen op zijn wangen; zijn armen liggen om mijn middel. Echt. O, ja. Zo echt, mijn Kuara! Tranen rollen over mijn gezicht. Hij kijkt met holle ogen, en zijn haar is afgeschoren. Maar ik laat mijn hart niet stoppen door bezorgdheid. Ik huil van vreugde, niet van pijn.

Dokter Stefanko vertrekt, en Kuara en ik praten. Hij brabbelt over een vreemde slaap, en dokter Stefanko, en !Gai, terwijl ik hem het kamp laat zien. Ik laat hem zien hoe een van de knoppen een rij kleine raampjes laat knipperen op de lichte hoek tussen muur- en plafond-hemel. De ramen lijken op vierkante kralen. Daar pauzeren gezichten en turen. Kinderen. Oude mannen. 

Vrouwen met een glimlach als een springhaas. Mensen van vele rassen. Ik vraag hem om niet te glimlachen of hun aanwezigheid te erkennen. Zelfs niet die van de kinderen. Vooral niet de kinderen. De gezichten zijn vast geesten, waarschuw ik. Geesten die ervan dromen /Gwi te worden. 

We luisteren naar de stem die dokter Stefanko de monitor noemt. Het is zangerig, wiegend. Een vrouwenstem, denk ik. “!U en Kuara, de nieuwste aanwinsten van Carnaval, zullen snel gewend raken aan onze uitstekende accommodaties,’ zegt de stem. De stem zweeft met ons mee als we wortels en hout gaan verzamelen.

Een leguaan steekt zijn kop uit de rotsachtige kranze, luisterend. Zwijgend leg ik mijn hout neer. Dan beweegt mijn hand langzaam. Zo langzaam dat het bijna geen beweging is. Ik grijp. Gevangen! Kuara slaakt een kreet en klapt in zijn handen. “Let op de littekens op de wangen en de bovenbenen,” zegt de stem. 

“Hetzelfde geldt voor de billen, maar zoals elke zichzelf respecterende /Gwi, verwijdert !U haar karos niet in het bijzijn van anderen, behalve tijdens de Eland Dans.” Ik draag de leguaan wiebelend naar de hut. “Als ze zich zou uitkleden zou je enorme vetophopingen in de billen zien, een fenomeen dat bekend staat als steatopygia. Deze anatomische eigenschap is uniek voor Bosjesmannen (of ‘Bosjesvrouwen,’ zouden we moeten zeggen) en helpt bij het opslaan van voedsel. Men geloofde ooit dat -“

Nadat ik de nek van de leguaan heb gebroken, trek ik het karos van een echte gemsbok af en bind het met sansevieria vezels vast voor mijn hut. Het is een prachtige deur.  Ik heb nog nooit een deur gehad. /Tuka en ik sliepen buiten en gebruikten de tshushi als opslagplaats. Kuara zal een deur hebben. Een deur tussen hem en de wachters.

Hij zal vuur hebben. Vuur voor warmte en eten en !U om naast te zingen. Ik verzamel groeistengels en kerf er een man en een vrouw uit. Dan gebruik ik galigras als tondel. Zoals Tuka deed. 

“De /Gwi worden gekenmerkt door een lage, afgeplatte schedel, kleine mastoïde uitsteeksels, een uitpuilend of verticaal voorhoofd, peperkorrels haar, een niet-pragmatisch gezicht – ” 

Ik draai de stokjes tussen mijn handpalmen. Het lijkt een eeuwigheid te duren. Mijn armen doen pijn. Ik ben klaar om het op te geven als de rook opkrult. Brabbelend springt Kuara door het kamp. Ik kijk naar het vuur en grijns van genot.

Maar het is een angstige vreugde. Ik zal warmtevuren en voedselvuren maken, besluit ik terwijl ik de rook in vlammen blaas. Geen rituele vuren. Niet zonder /Tuka.

Ik rooster de leguaan met /ore bessen en de tsha-komkommer, die overvloedig lijkt. Maar ik ben niet /Tuka, snel met vuur en lachen.  Het vuur maken heeft te lang geduurd. Halverwege het koken grijpt Kuara de hagedis en terwijl hij hem in zijn handen laat stuiteren alsof het heet deeg is, scheurt hij hem aan stukken. “Kuara!” flap ik eruit in gespeelde woede.

Hij giechelt als terwijl, met de ingewanden er uit bungelend, de hagedis omhoog houdt om op te eten. Ik glimlach droevig. Kuara’s lachende ogen en struisvogelbenen… ze lijken zo veel op /Tuka!

“De /Gwi zingen geen lof over veldslagen of krijgers,” zegt de stem zingend. Ik help Kuara de leguaan af te maken. “Ze hebben geen geschiedenis van oorlogsvoering. Hoewel kleine ruzies gebruikelijk zijn (zelfs een geweldloze samenleving kan niet voorkomen dat echtgenoten en echtgenotes ruzie maken), wordt vechten als oneervol beschouwd. Vechten betekend dat ze gefaald hebben om -” 

Als ik naar boven kijk, zie ik geen gezichten voor de ramen. 

Eindelijk verduistert de schemering het gras. Kuara vindt een parelhoenderveer en een rietstengel; leunend tegen mijn benen maakt hij vlijtig een zani. De temperatuur begint te dalen. Ik besluit dat de deur beter om onze schouders past dan over de tsushi.

Een figuur schrijdt uit de ondergaande zon. Ik bescherm mijn ogen met mijn arm. Dokter Stefanko. Ze glimlacht en knikt naar Kuara, die nu een noot als gewicht aan zijn speelgoed bindt, en op een boomstam gaat zitten. Haar glimlach blijft, maar is ontdaan van vreugde. Ze kijkt me ernstig aan.

“Ik hoop dat Kuara’s aanwezigheid je ervan zal weerhouden nog meer dingen te vertonen, zoals je vanmiddag hebt gedaan,’ zegt ze. “Je moet je toch wel realiseren dat hij hier bij je is op een… proefbasis, zullen we maar zeggen.” Ze tikt met haar wijsvinger tegen haar handpalm. “Deze onstuimigheid van jou moet ophouden.” Nog een tik. “En wel nu.” Haar linker wenkbrauw trekt op.

Met een scheef hoofd staar ik haar aan, niet-begrijpend.

“Je karos uitdoen alleen omdat de monitor zegt dat je dat niet mag.” Ze knikt begrijpend. “Oh, ja, we hebben het door als je luistert. En die vreselijke vertoning met de hagedis!” Ze trekt een gezicht en lijkt te huiveren. “Dan is er nog de kwestie van het vuur.” Ze wijst naar de sintels.  “Je wordt verondersteld hier te leven zoals je op Aarde deed. Tenminste overdag. Mannen staken altijd de vuren aan.”

“Mannen waren altijd aanwezig.” Ik haal mijn schouders op.

“Ja. Wel, er worden regelingen getroffen. Voorlopig hou je het bij voedsel dat je niet hoeft te koken. En gebruik het verwarmingssysteem.” Ze gaat naar de rots en draait, op handen en knieën, aan een van de knoppen. Er klinkt een zoemend geluid. Glimlachend wrijft ze met haar handen over het vuur, gaat weer op het houtblok zitten, haalt een foto uit haar heupzak en geeft die aan mij. Ik draai de foto om. Dokter Morse staat met haar armen over !Gai’s schouders. Zijn linkerarm ligt om haar middel. De Land Rovers staan op de achtergrond.

“Onstuimig,” zegt dokter Stefanko, terwijl ze zich voorover buigt en met haar nagel tegen de foto tikt. “Dat is precies wat dokter Morse over jou schreef in haar notitieboekjes. Ze beschouwde het als een deugd. Weer trekt de wenkbrauw op. “Dat doen wij niet.” Dan voegt ze er trots aan toe: “Ze was mijn grootmoeder, weet je. Zoals je je kan voorstellen, heb ik meer dan alleen een professionele belangstelling voor onze Zuidwest-Afrikaanse afdeling hier bij Carnaval.”

Ik begin de foto terug te geven. Ze steekt haar hand op en houdt me tegen. “Hou hem maar bij je”, zegt ze. “Zie het als een huwelijksgeschenk. De eerste van velen.”

*

Die nacht slapen Kuara en ik, gewikkeld in de kaross, in elkaars armen, in de tshushi. Hij houdt zijn zani nog steeds vast, hoewel hij hem nog niet één keer in de lucht heeft gegooid om te kijken hoe hij naar beneden draait. Misschien doet hij dat morgen. Morgen. Een lelijk woord. Ik lig naar de donkere grond te staren, zand in mijn vuisten geklemd. Ik vraag me af of ze de nacht in de gaten zullen houden. !Gai klimt op mijn rug en gromt door het hele huwelijksgedoe.

Slaap komt. Een gekwelde slaap. Ik voel hoe ik Kuara omhels. Hij kronkelt tegen de omhelzing maar ontwaakt niet. In mijn dromen glijd ik uit mezelf en, het vuur aanwakkerend, dans ik de Elanddans. Mijn lichaam is bedekt met elandvet. Mijn ogen staren in de duisternis en mijn hoofd wordt hoog en stijf gehouden. Zingend til ik mijn voeten op en neer, terwijl ik rond en rond het vuur beweeg. Andere vrouwen klappen en zingen de !kia-helende liederen. Mannen bespelen de gwashi en muzikale bogen. De muziek tilt op en lispelt en bonkt. Het ritme bonst in mij. Elke spier kent het lied. Rond en rond, altijd dansend. Tranen wellen op uit mijn ogen. Pijn trekt door mijn benen. En toch dans ik.

Dan, eindelijk, ontwaakt mijn n/um. Het ontrolt zich in mijn buik en ademt vuur in mijn ruggengraat. Ik vecht tegen de angst. Ik dans tegen de angst. Ik beef met vuur. Mijn ogen sperren van pijn. Ik kijk niet naar de klappende en zingende vrouwen. Mijn adem komt in oppervlakkige, verhitte stoten. Mijn borsten stuiteren. Ik dans. N/um blijft stijgen. Het tintelt tegen de basis van mijn hersenen. Het vult mijn hoofd. Mijn hele lichaam leeft, brandt. Doornen steken overal in mijn vlees. Mijn borsten zijn vurige kolen. Ik voel geesten, hete geesten, geesten uit het verleden, zich verdringen in mijn schedel. Ik wankel naar de hut; Kuara en !U, mijn oude ik, wachten me op. Ik glijd in haar vlees als iemand die wegglijdt onder het koele, met modder besmeurde water van een pan het hele jaar door. Ik glijd verder naar binnen. Ik word haar opnieuw. Mijn hoofd staat in vuur en vlam met n/um en geesten. “!U,” fluister ik, “ik breng de geesten van al je vroegere ikken en van je volk.” Ze kreunt weer, hoewel zwakker; de genotskreun van een vrouw die de liefde bedrijft. Haar lichaam strekt zich uit, verstijft. Haar nagels strelen Kuara’s rug. Dan accepteert ze mij, accepteert ze zichzelf. Ik vul haar vlees.

*

En ik breng de stilte, voor de derde keer in haar leven. Naar beneden en naar beneden in het zand sijpelt ze, als een regen die in de dorre aarde dringt, niets van zichzelf achterlatend, haar handen om Kuara’s polsen als ze hem achter zich aan trekt, de parelhoenderveer van de zani die achter hem aanwiegt als in een wind. Ze gaat door zand, Carnaval’s betonnen basis, maanrots, steeds verder naar beneden, das-woelend. Ze breekt door in een duisternis met zilveren licht: in de kern van de maan, waar de geesten van !kia leven. Ze tuimelt naar beneden, huilt haar ontzetting en vreugde, haar karos fladderend. In het midden van de holte, waar het water glanst als koud zilver, wacht /Tuka, met uitgestrekte armen. Hij lacht, een schril, geforceerd gekakel. Dat is de enige lach die een geest wiens slaap is verstoord kan kennen. Ze zullen vannacht met z’n drieën dansen: !U, /Tuka en Kuara.

Dan zal hij haar het geheim van !oa leren, het gif dat uit de vrouwelijke larven van de mestkever wordt geperst. Gif voor pijlen zal hij haar leren maken. Gif waar de Bosjesmannen geen tegengif voor kennen.

Ze zal jagen als ze terugkeert naar !Gai en naar dokter Stefanko.

Ze zal niet op dieren jagen.

© 1982 George Guthridge. Vertaling Goran Lowie. Oorspronkelijk gepubliceerd in The Magazine of Fantasy & Science Fiction, juli 1981.

George Guthridge
Website | + posts

George Guthridge publiceerde al meer dan 70 kortverhalen en vijf romans. Hij was finalist voor de Hugo Award en twee keer voor de Nebula Award. In 1998 werd George, samen met zijn co-schrijver Janet Berliner bekroond met de Bram Stoker Award voor de beste horrorroman van het jaar.

Hij is waarschijnlijk het meest bekend omdat hij tien studenten uit het Siberisch-Yupik (Inuit) dorp Gambell gecoacht heeft naar nationale kampioenschappen in academische vakken. Ze werden het enige inheemse Amerikaanse team dat dit ooit heeft gedaan- en ze deden het twee keer!

Be First to Comment

    Een reactie achterlaten

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

    Speculatief Magazine © 2022