Press "Enter" to skip to content

Drijfhout

In de dagen voordat hun wereld versplinterde, afbrokkelde en zich uiteindelijk oprichtte tegen die verzameling van oude werkelijkheden die bekend staat als Drijfhout, werden zij de Valraisangenek genoemd.

Een van hun geleerden heeft me eens een week de les gelezen gewoon al over die naam, voordat ik iets anders mocht leren. Valraisangenek: een echo van hun eens zo trotse wereld van Valrassuith, “De Volmaakte Cirkel” – op zijn beurt gebaseerd op het oude woord velar, “totaliteit” – en de legendarische stichter van hun ras, Saneig, “Uitverkorene van San,” uitverkoren door de Opperste Godin, van wie zij allen afstamden (genkoi). Een naam vol betekenis, voor zij die weten hoe je hem moet lezen. Maar de meeste mensen vinden de naam van de Valraisangenek te lang en te moeilijk om het onthouden waard te zijn, vooral nu er zo weinig van hen over zijn. Tegenwoordig noemt iedereen ze gewoon de Groenen.

Tenslotte heeft die naam het voordeel dat hij zo voor de hand liggend is dat iedereen hem kan onthouden… of hem op z’n minst meteen aan het juiste onderwerp kan koppelen. Komt er iemand binnen met haar als zeeschuim, ogen als smaragden, en een huid als mos? Je kijkt naar een Groene. Gebruik gewoon het woord voor “groen” in jouw taal, en klaar is Kees! Of “blauw/groen,” als je volk die twee kleuren niet onderscheidt, of “rood/groen” als je ras kleurenblind is, hoewel je in dat laatste geval het risico loopt een Groene met een Kakt te verwarren. Maar de roodhuidige Kakts zijn talrijk genoeg, en bekend genoeg, om niet te zeggen gehoornd genoeg, dat als je niet slim genoeg bent om ze van de Groenen te onderscheiden, je het sowieso niet lang uithoudt in Drijfhout.

De wereld van de Kakts is zo recent op drift geraakt dat hij aan drie kanten nog aan niets anders dan mist grenst. De kalendristen die ik ken schatten dat hij binnen een jaar aan Egnuren zal grenzen– binnen een Kakt-jaar, wel te verstaan; bijna twee Egnuren-jaren, maar dat kan ik de Kakts beter niet vertellen. De meesten van hen ontkennen nog steeds het Drijfhout gebeuren. Ze zijn nieuw; ze zijn trots. Ze willen niet toegeven dat hun wereld weg is, en dat zij alles zijn wat er van over blijft.

De Groenen weten wel beter. Het is moeilijk om de dood van je wereld te ontkennen als hij gekrompen is tot een klein getto waarvan bijna niemand zich de naam nog herinnert. Er zijn theorieën over hoe je het verval kunt vertragen, en de Groenen hebben ze allemaal geprobeerd. Blijf thuis, en doe alsof Drijfhout er niet is. Spreek alleen je eigen taal. Fok alleen met je eigen soort. En bid, bid, bid tot je goden, alsof Drijfhout een soort test is die ze je laten doorstaan, of een enge droom waaruit je kunt ontwaken.

Het helpt allemaal niet. Ik zou het moeten weten.

Maar niemand luistert als ik het ze vertel.

Alsanit vond hem in een Dwaler-café. Als haar missie minder dringend was geweest, zou ze niet zijn gegaan; ze was een zuivere Valraisangenek – een “eenbloed”, in Drijfhout-jargon – en tussen de bastaard-Dwalers stak ze er bovenuit als een smaragd in het zand. Maar de Kring had al te veel tijd verspild aan twijfel; toen de beslissing eenmaal was genomen vertrok ze binnen een dag. Het gefluister en gestaar van vreemdelingen was niet erg, evenmin als de minachting en zelfs het risico om overvallen te worden, als je het vergeleek met de nood van haar volk.

Het café heette Spuug in het Oog der Verpletting en lag bijna aan de overkant van de Snippers van wat er over was van Valrassuith. Groenhol voor de buren, en de meeste Valrai noemden het eigenlijk ook zo tegenwoordig. Daarom trotseerde Alsanit de blikken van de Dwalers. Twee dagen geleden had ze haar huis nog Groenhol genoemd.

Als er niets veranderde waren ze gedoemd.

Ze ging van Groenhol naar Was naar Heppa naar Hetekant, en daarna was ze in Snippers die ze niet kende. Ze raakte ondergesneeuwd in de plaats na Hetekant, en twee Snippers daarna werd ze achtervolgd door dingen die op honden leken maar het niet waren, maar de aanwijzingen die ze had gekregen waren goed, en na ongeveer vier uur lopen bevond ze zich op de grens tussen Heli en Tatu, bij Spuug in het Oog der Verpletting.

Het café has zijn naam verdiend, want het was onverschrokken in elkaar geflanst uit fragmenten van een dozijn werelden, opgelapt met rietbundels, vellen schroot en zelfs wat leek op de helft van een boomstam. Alsanit kreeg de verwachte blikken en gemompel toen ze door de deur liep, maar dit was ver van Valrassuith, ver van waar haar volk bekend was; ze reageerden op haar als een eenbloed, een niet-Dwaler, niet als een Groene. Ze was echter niet de enige eenbloed in de bar, want bij de verste muur zag ze de man die ze zocht.

Hij was lang genoeg om zelfs zittend in het oog te springen; zo had Alsanit hem voor het eerst gezien. Dwalers, de kruisingen die ze waren, waren meestal gemiddeld van lengte onder de rassen van Drijfhout. En zelfs in het troebele licht van de bar schemerde zijn huid zilverblauw, onverzwakt door enige vreemd pigmenten, waartegen zijn zwarte haar een scherp contrast vormde. Maar de aanblik van een mede-eenbloed stelde Alsanit niet gerust. Er was een zekere uniformiteit in de onvoorspelbaarheid van de Dwalers. Eenbloedjes hadden hun eigen manieren, en zij kende de gebruiken van deze man niet.

Het vergde veel van haar moed om naar hem toe te lopen.

“Bent u Laatste?” vroeg ze, in een van de meestversreide pidgin dialecten van haar kant van de Snippers.

“Dat ben ik,” zei hij gemakkelijk, in hetzelfde dialect. “En jij?”

“Alsanit.”

Zijn tanden glinsterden zuiver zilver toen hij glimlachte. “Dan ben ik vereerd.”

Alsanit knipperde met haar ogen. “Vereerd?”

“Je naam. Gezworen aan San? Nee, Trouw aan. Je bent een van de Valrai. Van hoge rang. Alleen jullie belangrijke vrouwen hebben San’s naam in hun eigen naam.”

Alsanit vroeg zich af of haar kaken op de grond lagen. Valrai. Niet “Groenen.” En hij kende ze, kende hun manieren. Ze zaten in een bar aan de overkant van de Snippers van Valrassuith, en hij wist wat haar naam betekende. Zelfs de mensen van de naburige Snippers deden de moeite daar niet voor.

De glimlach van Laatste breidde zich uit tot een grijns. ” Komaan, je kwam me zoeken; wist je niet wat je kon verwachten? Ik ben een gids. Het is mijn taak om dat soort dingen te weten.”

Met moeite hernam Alsanit haar kalmte. “Ja. Maar ik dacht dat ik van buiten je gebruikelijke gebied kwam.”

“Dat is ook zo. Maar toevallig had ik vroeger een minnaar die Valrai was. Ik herinner me nog wel het een en ander.”

Alsanit vroeg zich af wie die minnaar was geweest. Als de verhalen waar waren, dan was de kans groot dat de vrouw of man al lang dood was. Ze besloot het niet te vragen, maar of dat was omdat ze vreesde dat ze de persoon niet zou kennen, of omdat ze vreesde van wel, had ze niet kunnen zeggen.

Laatste leunde achterover in zijn stoel en legde zijn lange vingers in elkaar. De nagels glansden donker – natuurlijke kleur, of een soort lak? Ze wist niet of donkere nagels bij zijn volk het teken waren van een moordenaar, een slaaf of helemaal niets. Het enige wat ze kon doen was proberen mee te gaan op de golven van interactie die op- en neergingen.

Ze dacht aan de verhalen die de priesters van haar volk nog steeds vertelden, over golven, over de zee, en slikte tranen weg. De zee was al eeuwen verdwenen.

“Laten we ter zake komen,” zei Laatste. “Wat heb je nodig? Een tolk? Iemand die je de wegen van andere Snippers vertelt? Zakelijke contacten?

“Antwoorden,” zei Alsanit, terwijl ze haar kin optilde en zijn diepzwarte ogen ontmoette. “Een antwoord. Op de enige vraag die de moeite waard is om te stellen op deze plek.

Hij bewoog niet, maar het leven vloeide uit zijn gezicht, waardoor zijn uitdrukking maskerachtig werd. Uiteindelijk klikte hij scherp met zijn tong, een gebaar uit de Snippers dat absolute ontkenning betekende. “Verkeerde persoon, Groene.”

De naam deed pijn, maar ze liet het niet merken. Ze klikte terug naar hem, zijn eigen taal overnemend. “Je beantwoordde aan de naam. Je past bij de beschrijving. Ik weet wie je bent – wat je bent – en ik heb dat antwoord nodig.”

Laatste tond abrupt op, zijn dijen sloegen tegen de tafel en schraapten die scherp over de vloer. Het gesprek in de bar kwam tot stilstand toen hoofden zich omdraaiden om te kijken.

Verkeerde persoon,” herhaalde hij, zijn stem tot in de verste uithoeken van de kamer. “Ik heb geen antwoorden. Sorry dat je voor niets helemaal tot hier bent gekomen.”

Zijn lange benen droegen hem snel de bar uit. Alsanit sprong overeind en wilde hem achtervolgen, maar haar weg werd versperd door een paar Dwalers die bijna even groot als breed waren en die ofwel niets begrepen van het pidgins dat ze sprak, ofwel deden alsof ze het niet verstonden. Ze rukten op tot ze met haar rug tegen een deur aan de andere kant van de kamer stond, en toen bleven ze staan tot ze het opgaf en wegging. Buiten, in de straten van Heli probeerde ze Laatste te vinden, maar hij was verdwenen.

Het leven is anders in de Snippers. Aan de randen van Drijfhout, plaatsen als Kakt, kan een vastberaden persoon zijn hele leven doen alsof haar thuis nog steeds een eigen wereld is. Iets verder weg, als de dingen kleiner zijn geworden en je niet meer bij de Mist bent, begin je je wereld als een land te zien; je leert je buren kennen, je drijft handel met ze, je zet ambassades op hun grondgebied op. Maar in de Snippers kun je de eigenaardigheden van Drijfhout niet negeren, de manier waarop het in de ene straat zomer is en in de andere winter, dag hier en nacht daar, gehoorzaam aan je wetten van de werkelijkheid in je eigen getto, maar trouw aan een totaal andere regels drie huizen verderop.

Vraag niet hoe het werkt. Het is Drijfhout. Een lappendeken van wereldfragmenten, onlogica in beton gegoten. Het is gewoon, en je leert ermee leven.

En als je er goed genoeg mee leert leven, kun je er zelfs geld mee verdienen. Stop zoveel mogelijk talen in je hoofd, zoek uit wat de regels zijn in een bepaald getto, en vestig je als reisleider. Of iets in die aard. Ik haat het om rondleidingen te geven aan Randers, als ze voor de kick naar de Snippers komen. Niet omdat ik verbitterd ben – ik ben er al lang over heen om Randers te haten voor hun grote, solide werkelijkheden- maar omdat ze onwetend zijn. Ze snappen niet hoe de Snippers werken, en dat willen ze ook niet.

Ik ben hier voor de Snippers, voor mensen die door hun werk buiten hun vertrouwde gebied komen, en die de kneepjes van het vak willen -of moeten- leren waar ze heen gaan. Vandalen, kruishandelaars, geleerden die het verval van hun eigen wereld hebben verlaten om uit te zoeken hoe het allemaal werkt. Ze betalen me in munten van hun eigen rijk, als die er nog zijn, of in edelstenen, waardevolle voorwerpen, zelfs voedsel. Hoe komt het dat ivnyils alleen uit de werkelijkheid van de Gewortelden komen, maar bijna iedereen smaragden heeft? Hoe komt het dat het meeste voedsel – maar niet alles – eetbaar is voor alle rassen? Waarom zijn sommige dingen zo gelijkaardig, terwijl andere zo verschillend zijn? Dat zijn het soort vragen die mijn geleerde cliënten willen beantwoorden. Ik, ik doe geen moeite. Het is genoeg dat Drijfhout bestaat, en ik daarbinnen besta- nog steeds, zelfs na al die jaren.

Maar zo nu en dan besluit iemand dat ik de antwoorden moet hebben. Het is moeilijk om echt beroemd te worden in Drijfhout; aan de rand praten mensen niet veel over dingen buiten hun eigen werkelijkheid, en in de Snippers worden verhalen om de paar blokken tegengehouden door taalbarrières. Om echt beroemd te worden moet je er al een hele tijd zijn, en dan loop je tegen het probleem aan dat, oeps, jij en je werkelijkheid naar de Verpletting zijn geduwd, en je bent helemaal uit het bestaan verdwenen, samen met iedereen die je kende.

Vrijwel de enige manier om beroemd te zijn in Drijfhout is om hier nog te zijn, lang nadat de Verpletting je te pakken had moeten krijgen.

De meeste mensen denken dat het maar een verhaal is. Oké, ik ben er al zo lang dat zelfs je oma denkt dat ik oud ben, maar met de manier waarop de tijd varieert tussen werkelijkheden, en de verschillen in levensduur – de Gnevg leven nauwelijks tien van hun eigen korte jaren, de Ost voor honderden – volgens hen moet er wel een manier zijn om het te verklaren. En als je niet zeker weet uit welke werkelijkheid ik kom, tja, iemand moet het weten, toch?

Slechts een paar mensen volgen de verhalen ver genoeg om op te merken dat deze hypothetische “iemand” niet lijkt te bestaan. Mensen kunnen je vertellen waar ik woon, of waar ik mijn tijd doorbreng, of hoe je me kunt vinden, maar ze kunnen je niet vertellen waar ik vandaan kom.

En van de weinige mensen die de verhalen ver genoeg najagen, zijn er maar heel weinig die de sprong in het diepe maken om de verhalen te geloven.

Dat zijn degenen die me komen zoeken, niet om me in te huren als gids, maar om me vragen te stellen.

Een vraag, eigenlijk. Ze stellen allemaal dezelfde.

Alsanit was niet voorbij de Snippers gekomen om een gids in te huren, maar uiteindelijk deed ze dat toch. Ze was te ver uit haar vertrouwde omgeving; er waren te veel taalkundige en culturele hindernissen op haar weg om zonder hulp te kunnen zoeken. Dus huurde ze iemand in, een Dwaler, die ze betaalde in de zeeschelpen die de Valrai als betaalmiddel gebruikten en die in sommige Snippers als geneesmiddel waardevol waren, maar niet voor de Valrai zelf. Ze stuurde een boodschapper naar huis om haar afwezigheid uit te leggen en begon toen grimmig aan haar taak om Laatste de grond in te jagen.

Het was een gevaarlijk voorstel. Ze kon niet weten of de mensen die ze inhuurde of met wie ze sprak te vertrouwen waren; het was het veiligst om aan te nemen dat ze dat niet waren. Maar Alsanit hoefde niet naar huis terug te keren en met de Kring te spreken om te weten wat zij haar zouden vertellen. Als ze in deze missie faalde was haar leven toch al zinloos, samen met dat van elke laatste Valrai. Dus wat maakte het uit, dat ze het hier riskeerde?

Haar gids bleek betrouwbaar, ook al probeerden verschillende van de informanten die ze benaderden hen te doden. Alsanit hield niet meer bij hoeveel tijd ze doorbrachten met zoeken; weg van Valrassuith vond ze het moeilijk om vertrouwde maatstaven voor tijd aan te houden, en dagen en nachten waren van verschillende lengte in elke Snipper waar ze doorheen trok. In plaats daarvan hield ze bij hoeveel schelpen ze nog had, en maakte zich zorgen over hoe snel ze die opgebruikte. Nog even en ze zou naar huis moeten voor meer – en ze had geen idee hoeveel Laatste zou vragen voor zijn antwoord, mocht ze hem overhalen het te geven. Misschien wel meer dan al haar mensen te geven hadden.

Maar ze zouden een manier vinden om te betalen.

Toen Alsanit’s schelpen bijna op waren slaagde haar gids erin om hem te vinden.

De laatste dienst van de gids voor Alsanit bestond uit het intrappen van Laatste zijn deur. Toen ging hij de trap af, op weg om te genieten van de rijkdom die hij had verdiend, Alsanit achterlatend in de deuropening van Laatste met zijn mes op haar keel.

“Ik heb mensen voor minder dan dit gedood,” vertelde hij haar kalm, alsof de informatie niet belangrijker was dan de routebeschrijving naar de dichtstbijzijnde Snipper-grens.

“Dood me dan,” zei Alsanit. “Het doet er niet toe. Ik ben toch al dood. Al mijn mensen zijn dat.”

“Iedereen is dood,” zei Last. “Dat is Drijfhout. Op het einde zal elke persoon, elke straat, elke wereld vervagen, afbrokkelen en sterven.”

“Behalve jij.”

“Dat oordeel is nog niet geveld. Wie zegt dat ik niet op een dag zal sterven, net als iedereen?”

“Je hebt het langer uitgehouden dan alle anderen. Je hebt Drijfhout tot nu toe bedrogen. En ik moet weten hoe.”

Een ogenblik stond hij daar, het mes tegen de zachte huid van haar keel gedrukt, en Alsanit wist werkelijk niet of hij het zou doen of niet. “Het zou een zegen kunnen zijn om je te doden,” fluisterde hij, alsof hij tegen zichzelf sprak.

De zekerheid dat haar wereld zou vergaan zonder zijn hulp gaf Alsanit een gelijktijdige kalmte en roekeloosheid die haar woorden veel meer maakten dan bluf. “Doe het dan.”

Het mes drukte scherper.

“Of beantwoord mijn vraag.”

De hand van Laatste beefde.

“Red mijn wereld,” zei Alsanit, “of dood me nu.”

Hij deed geen van beide. Hij greep haar bij de schouder, schoof haar op de grond en vertrok. Alsanit had hem moeten achtervolgen, maar haar benen waren te slap. Ze zat op de tegelvloer van de kamer die hij huurde in een Snipper waarvan ze de naam al vergeten was, te trillen en op het randje van tranen, en wist dat haar volk gedoemd was.

Er zijn een hoop bizarre theorieën over mij. Een van mijn favorieten, op een zwartgallige manier, is dat mijn wereld de eerste was, de oorspronkelijke kern waar de rest van Drijfhout tegenop dreef. Een speciale variant van die theorie zegt dat ik het eerste wezen van die werkelijkheid was, gevormd door de plaatselijke goden uit klei of graan of hout of stront of wat dan ook, dat ik hier al ben sinds het begin, en hier zal zijn tot het einde.

Het bracht me in verlegenheid, dat mensen zoiets zeiden. Het maakt me tot een halfgod, en dat ben ik niet; ik haat het als mensen me zo behandelen. Maar na een tijdje verdwijnt de schaamte en leer je ermee om te gaan. Het is een creatieve theorie, in ieder geval, beter dan sommige die ik heb gehoord. Maar nee, mijn wereld was niet de eerste, en ik ben niet de eerste man.

Zelfs de mensen die niet in die theorie geloven, behandelen me met een eerbied die me ongemakkelijk maakt. Ik leef liever als een gids, die mensen leert hoe ze zich een weg moeten banen door de wildernis van de Snippers, totdat de Snippers die ik ken krimpen en wegglijden in de Verpletting en ik nieuwe Snippers moet leren. Ik rouw niet meer om het verlies van die werelden. Ze sterven uiteindelijk allemaal, dus je kunt je er net zo goed overheen zetten. Soms word ik ingehuurd door geleerden die iets willen weten over lang vervlogen werkelijkheden, en dan word ik melancholisch, denkend aan liedjes die niemand meer zingt, aan vrienden en geliefden die al eeuwen dood zijn, aan restaurants waar ik nooit meer zal eten. Mijn geheugen gaat ver terug: de enige onsterfelijkheid die deze plaatsen krijgen.

Maar ik weet niet meer hoe Drijfhout begon. Zo oud ben ik niet. Misschien zijn er altijd werelden geweest, die apocalypsen ervaarden, uit elkaar vielen en uiteindelijk opbotsten tegen het steeds veranderende gezicht van Drijfhout. Misschien is Drijfhout een overeenkomst tussen de goden, een laatste barmhartigheid, die hun werelden een kans geeft om in het reine te komen met de dood voordat die zich definitief voltrekt.

Of misschien is Drijfhout hun manier van een grapje.

Een deel van me hoopt dat, en hoopt dat de goden er goed mee lachen. Niemand anders doet dat.

Ze bleef in de gehuurde kamer van Laatste, eerst verdoofd zittend op de tegelvloer, later opgekruld terwijl ze in slaap viel. Toen ze wakker werd, keek ze om zich heen en vroeg zich af of het wel zin had om te blijven. Hij had hier bezittingen, ja, maar een man die de dood van ontelbare werelden had overleefd, hechtte waarschijnlijk niet veel waarde aan louter voorwerpen. Er was geen reden om aan te nemen dat hij zou terugkeren.

Maar als het geen zin had om te blijven, had het ook geen zin om te verhuizen. Wat zou zij doen? Naar huis gaan? Ze kon meer schelpen halen, een nieuwe zoektocht beginnen, misschien Laatste terugvinden. Maar hij zou haar het antwoord niet geven. Dus kon ze net zo goed naar huis gaan en haar nederlaag toegeven aan haar volk.

En dan wachten tot Valrassuith klaar was met sterven.

Ze zou waarschijnlijk eerder sterven dan haar wereld. Ze hadden misschien nog twee generaties te gaan – misschien meer, misschien minder; niemand wist wat het onvermijdelijke verval bespoedigde of vertraagde.

Behalve Laatste.

Als dat alles was wat naar huis gaan voor haar in petto had, dan kon Alsanit net zo goed hier blijven en sterven. Dat zou minder pijn doen dan haar volk te confronteren met haar mislukking.

De nacht kwam en ging; hij leek langer dan de nacht in Valrassuith, maar misschien verlengde de wanhoop hem. Alsanit zat met haar rug tegen een bedpost van uitgesneden botten, staarde naar de muur en vroeg zich af wat ze met zichzelf moest doen. Zelfmoord plegen? Verhongeren? Een nieuw leven beginnen, verbannen uit haar eigen wereld? De vraag vervulde haar met zo’n apathie dat toen Laatste weer in de deuropening verscheen, ze hem slechts dof aanstaarde, half gelovend dat hij een verzinsel van haar verbeelding was.

Hij keek een lang ogenblik op haar neer. Het ochtendlicht dat door het ene kleine raam in de kamer binnenkwam, deed hem lichtjes schitteren, als een god.

“Ik doe niet aan beloftes,” zei hij uiteindelijk, met een rustige, zware stem. “Andere mensen hebben dit geprobeerd, en het werkte niet voor hen. Ze moeten iets verkeerd hebben gedaan. Maar dit is het beste wat ik je kan geven.”

“Ik vraag niet om beloftes,” fluisterde Alsanit. “Alleen om hoop.”

Hij knikte, langzaam. “Oké dan.

“Veel mensen proberen in hun eigen werkelijkheid te blijven, en gaan nooit ergens anders heen. Dat redt hen niet. Maar je kunt je eigen wereld ook niet in de steek laten; die heeft je nodig om te overleven. Dus moet je een compromis sluiten.”

Alsanit wachtte, terwijl de woorden zich in haar geheugen brandden, laaiend van overlevingskansen.

“Laat iemand – je eigen schoenmakers, als je die nog hebt – laarzen maken met holle ruimtes in de hielen. Neem aarde, of kleine stenen, van Valrassuith, en stop die in de holtes. Draag de laarzen ten alle tijden. Als je dat doet, breng je je eigen wereld met je mee, waar je ook gaat. Je zult altijd op de grond van Valrassuith staan, waar je ook bent. En dit kan je misschien redden.”

Hoop gaf Alsanit nieuw leven; ze ontwaakte uit haar verbijstering en begon over de vloer te kruipen naar waar Laatste stond. Tranen van dankbaarheid vielen uit haar ogen.

Last stapte achteruit voor ze zijn voeten kon kussen. “Niet doen. Alsjeblieft. Ga gewoon terug naar je volk.”

“Dat zal ik doen,” fluisterde Alsanit. “En… dankjewel. Woorden zijn niet genoeg, maar… dankjewel.”

En met zijn woorden als de kostbare schat die ze waren ging ze haar volk hoop geven.

De nacht nadat ik Alsanit voor de laatste keer zag, dronk ik mezelf stomdronken. Als je problemen wilt oplossen, is dat een kutmanier, maar als je je in je ellende wilt verzinken is drinken de beste manier. Mijn probleem had geen oplossing. Het enige wat ik kon doen was verzinken.

Alsanit was niet de eerste die me die vraag stelde, en ook niet de laatste. Ik heb mezelf keer op keer gezworen dat ik niet zal antwoorden als ze het vragen, dat ik gewoon zal weggaan, me verstoppen, uit hun buurt blijven. En ik probeer het. Maar ze jagen me altijd op. Wat kunnen ze anders doen? Ik ben hun enige kans op redding, hun laatste hoop om hun stervende werelden te redden. Ze kunnen niet weg tot ze hun antwoord hebben.

Dus geef ik het ze.

Niemand wil ooit de waarheid horen. Ik heb geprobeerd het ze te vertellen, maar ze weigeren het te accepteren. Ze hebben liever leugens. Dus vertel ik ze wat ze willen horen. Ik verzin een interessante leugen, iets dat aannemelijk klinkt; misschien haal ik het uit de tirades van een straatpredikant die vierhonderd jaar geleden stierf, en voor hen klinkt het nieuw. En ze glimlachen, en huilen, en bedanken me; soms, zoals Alsanit, proberen ze mijn voeten te kussen.

En dan gaan ze weg, en hun werelden sterven.

De leugen die ik Alsanit gaf, is een bijzondere. Het is er een die ik echt heb geprobeerd, samen met alle mensen van mijn wereld, toen er nog zulke mensen waren, toen er nog een wereld was die ik de mijne noemde. We stopten stenen in onze schoenhakken en baden dat het ons veilig zou maken.

Het heeft hen niet gered. En het redde mij ook niet. Ik heb die stenen vijfenzeventig jaar in mijn laarzen gehouden nadat de rest van hen verdwenen was, in de veronderstelling dat ze het enige waren wat me in leven hield, tot de dag dat ik in Ettolch werd overvallen en de overvaller mijn laarzen stal. Toen was er niets meer dat me “aan de grond hield”, dat me op mijn geboortegrond hield, en toch stierf ik niet, verbleekte ik niet, verdween ik niet.

Ik weet niet waarom.

Dat is de waarheid die niemand wil horen. Ik heb geen flauw idee waarom ik er nog steeds ben. Ik heb de normale levensduur van mijn ras vele malen overschreden; zelfs als mijn wereld niet was verdwenen, zou ik dood moeten zijn. Ik heb alle theorieën geprobeerd die toen in de mode waren, maar dat deden alle anderen om me heen ook. Zij zijn weg, en ik niet. Misschien ligt het antwoord in een subtiele interactie van de dingen die ik heb geprobeerd; misschien moet je precies deze hoeveelheid tijd in je eigen werkelijkheid doorbrengen en die hoeveelheid tijd erbuiten, terwijl je tegelijkertijd specifiek voedsel in specifieke gewichten eet, en als je de getallen precies goed hebt, kijk, onsterfelijkheid.

Ik betwijfel het. Maar ja, wat weet ik er van?

Niet veel. Behalve dat ik er nog steeds ben, in tegenstelling tot alle anderen.

© 2009 Marie Brennan. Vertaling Goran Lowie. Oorspronkelijk gepubliceerd in Beneath Ceaseless Skies #14

Marie Brennan
Website | + posts

Marie Brennan is een voormalig antropologe en folkloriste die schaamteloos haar academische vakgebieden plundert om inspiratie op te doen. Onlangs verwerkte ze het harde werk van haar professoren tot "The Night Parade of 100 Demons" en de korte roman Driftwood, waarvan drie hoofdstukken in Speculatief zullen verschijnen. Ze is de auteur van de Hugo Award-genomineerde Victoriaanse avonturenserie The Memoirs of Lady Trent samen met verschillende andere series, meer dan zestig korte verhalen, en de New Worlds serie van worldbuilding gidsen; als de helft van M.A. Carrick, heeft ze The Mask of Mirrors en The Liar's Knot geschreven, de eerste twee boeken in de epische Rook and Rose trilogie. Voor meer informatie, bezoek swantower.com, Twitter @swan_tower, of haar Patreon.

Be First to Comment

    Een reactie achterlaten

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

    Speculatief Magazine © 2022