Press "Enter" to skip to content

De Halte Na het Laatste Station

Tito heeft nooit geloofd dat de halte na het laatste metrostation bestond, de plek waar de wereld zogenaamd ten goede is veranderd. De halte waar hij zes zilveren penningen voor nodig heeft om er te geraken.

Tot hij het wel doet. Tot hij het nodig heeft.

Op dat moment stapt hij in de metro en reist er tweeënhalf jaar mee, voorwaarts snellend naar een plek waar hij alleen maar in verzwegen, vurige verhalen over heeft gehoord. Maar Tito gelooft pas echt in de halte na het laatste station als hij tussen het eindpunt van de rails en het begin van de nieuwe wereld staat, met zijn laatste lippenstift op, met nog maar twee aspirines en één glimmende penning in zijn zak.

De onwaarschijnlijk lange conducteur/reisleider/portier glimlacht naar Tito.

“Ik kan je binnen krijgen,” zegt ze in zijn oor. Ze bedoelt voorbij het tourniquet aan het eind van de baan, dat glimt als zilver maar waarvan de randen glinsteren als messen.

“Hoeveel?” vraagt hij, met droge mond.

“Een penning, alstublieft.”

Tito’s pijnlijke vingers krullen zich om de laatste munt in zijn zak. Het is alles wat hij nog heeft. Zijn baggage, zijn geheugen, hijzelf zijn allemaal verloren gegaan onderweg. Het is een lange reis geweest.

Voorbij het draaihekje ziet hij een respectabele weg met fietsen en Vespa’s, een fruitverkoper en een lingeriewinkel. Hij ruikt de uitlaatgassen en hoort het gedreun van een radio die te hard staat. De wereld daarbuiten is levend en vol mogelijkheden, ja, maar voor Tito kan de belofte van deze nieuwe plek de pijn van eenzaamheid en verlies in zijn borst niet helemaal wegnemen.

“Dit is niet wat ik me had voorgesteld,” zegt hij, trots dat hij zich dat stukje tenminste nog herinnert. “Zou het hier niet beter moeten zijn?”

De conducteur/reisleider/poortwachter haalt zijn schouders op. “Voor sommigen is dat zo.” Ze haalt haar schouders weer op en steekt haar hand uit. “Wel?”

Tito aarzelt. Waarom? denkt hij. Waarom? Is dit niet wat je wilde? Is dit niet waar je twee en een half jaar voor hebt gereisd in deze stomme metro? Na alles wat hij heeft opgegeven om hier te komen, zou dit een makkelijke opoffering moeten zijn, een no brainer.

Maar nu staat hij aan het eind van de rails, op de drempel van een nieuw thuis achter het tourniquet, een nieuwe toekomst…

…en hij kan zichzelf er niet in voorstellen.

“Wat als…wat als ik terug zou willen?” vraagt hij.

De blik van de conductrice is doordringend, maar er is een zweem van een glimlach op haar lippen. “Ik weet zeker dat we er wel uitkomen,” antwoordt ze.

—————————-

Een paar haltes geleden, wanneer Tibo twee munten in zijn zak heeft in plaats van één, weegt hij zijn opties.

“Nu?” De conducteur/reparateur/tolbeambte doemt boven hem op, zijn handpalm uitgestrekt.

Wil je een munt opgeven om te redden wat er van je over is?

Zo ver in de reis zijn munten zeldzaam en kostbaar. De metro zat ooit vol met mensen. Nu is het een sombere en eenzame plaats. Gevuld met lege stoelen en holle plaatsen waar ooit herinneringen waren.

Het zijn niet alleen de passagiers die verdwijnen. Tito’s laatste overgebleven bezittingen liggen op zijn schoot: twee muntjes, een tube rode lippenstift, wat kleurpotloden, een fles aspirine, een foto van hemzelf en een vrouw die hij niet herkent. Ze is belangrijk, denkt hij, zo belangrijk. Maar haar naam is verdwenen als een verstrooide gedachte. Dat beangstigt hem.

Hij klampt zich vast aan wat hij kan. Hij gebruikt dagelijks lippenstift, het is bijna een verslaving, en probeert te negeren hoe de pijn in zijn gewrichten meer aanvoelt als een herinnering. Hoe doorzichtig hij aan het worden is. Letterlijk. De flikkerende fluorescerende lichten van de metro gaan nu dwars door hem heen.

Wil je een muntje geven om te redden wat er over is?

De hand van de conducteur is nog steeds uitgestoken. Tito aarzelt, hoewel het nooit echt een keuze was, of wel? Hij is al zo ver gereisd.

Met tegenzin, als een afscheid van een stervend ledemaat, verspeelt Tito zijn op een na laatste penning.

De conducteur glimlacht. Plotseling is Tito weer solide. Ondoorzichtig. Hij is nu een beetje lichter, misschien, maar hij dreigt niet langer te verdwijnen.

Hij ademt uit en zakt opgelucht weg in de versleten kussens van de metro.

Hij maakt de balans op van wat er overblijft. Telt de voorwerpen in zijn schoot, zijn misvormde vingers met hun gezwollen knokkels en dan zijn stijve tenen. Zijn gewrichten kloppen weer onophoudelijk, wat vervelend en pijnlijk is, maar ook een geruststellend bewijs van bestaan. Pas nu merkt hij dat er op de stoel naast hem een lelijk mauve deken ligt. Rechte, witte haren zitten gevangen in de vezels en het ruikt naar abrikozen. Tito’s haar is zwart en gekruld en hij ruikt naar te veel reizen. Hij begrijpt dat de deken van een andere passagier was. Een belangrijk iemand.

Er is een leegte in zijn borst waar deze persoon zou moeten zijn en Tito zou willen dat hij het zich kon herinneren.

Zo erg.

—————————-

Er zit een slungelige jongen naast hem, met lang, wit haar en een dikke bril, gehuld in een mauve deken. Tito heeft drie penningen in zijn zak.

Cal, dat is zijn naam. Tito herinnert dingen. Niet alles, maar meer dan vroeger. Of is het minder? De tijd wordt glibberig in de metro.

Cal maakt ruzie met de conducteur/leraar/planner. “Waarom zijn we er nog niet?” vraagt hij, en de vraag is vol verlangen, wanhoop.

De conducteur zwijgt, maar haar uitdrukking is triest, als een veelbelovende leerling die het goede antwoord nog niet heeft gevonden.

“Hoe lang nog, dan?” Cal rilt, trekt zijn deken strakker, en Tito merkt dat zijn vingers helemaal doorschijnend zijn.

“Wie weet?” antwoordt de conducteur met een zucht, en gaat verder.

De conducteur geeft hen nooit duidelijke antwoorden, maar deze keer, als ze haar door het gangpad zien lopen, is Cal’s uitdrukking vernietigend en Tito moet op zijn binnenste bijten om geen vreselijke dingen naar haar te schreeuwen.

“Ik haal het niet,” zegt Cal miserabel. “Kijk.” Hij steekt zijn holle handen onder Tito’s neus uit. Ze trillen.

Tito weet niet wat hij moet zeggen. Wat kan hij zeggen tegen een verdwijnende vriend? Dus slaat hij in plaats daarvan een arm om Cal heen. De beweging voelt natuurlijk, maar ook omgekeerd. Hij inhaleert de geur van abrikozen en Tito herinnert zich vaag dat het Cal is die meestal troostend een arm om hem heen slaat.

“Je redt het wel,” zegt Tito, hopende dat woorden, net als wensen, uitkomen in de metro.

“Nee, jij redt het wel. Je bent koppig.” Cal wijst naar Tito’s schoot en Tito vindt daar tot zijn verbazing zijn schetsboek met ezelsoren. Dat was hij vergeten.

“Misschien,” zegt Tito blozend, terwijl hij bladzijde na bladzijde doorbladert van halfgetekende gebouwen, halfgevormde ideeën. Maar de basis is er voor eco-hoogbouw en kleurrijke gemeenschapscentra. “Maar wie gaat deze vreemde huizen leuk vinden?”

“Ik.”

Tito’s blos wordt dieper. Hij kan zich niet herinneren of iemand hem dat ooit eerder heeft verteld. Het voelt nieuw.

“Ik hoop dat de halte na het laatste station vol zit met mensen zoals jij, Cal,” zegt hij.

Cal grijnst. “Ik ook.”

Tito lacht. Maar hij kan het gevoel van déjà vu niet van zich afschudden. Of dat als hij hier en nu niets doet, Cal zal verdwijnen. En dat is een ondraaglijke gedachte. Dus vist hij een van zijn overgebleven munten op en duwt het in Cal’s hand. De ogen van zijn vriend worden rond van verbazing.

“Beloof me alleen dat je het deze keer volhoudt,” zegt Tito.

Cal houdt het muntje vast, zijn bleke ogen boordevol tranen en hoop. “Beloofd.”

—————————-

Tito kan zich eigenlijk niet herinneren wat er met zijn vierde munt is gebeurd. Niet precies. Misschien heeft hij het verhandeld? Hij heeft het waarschijnlijk geruild. Alles wordt geruild en onderhandeld en gedeeld en uitgewisseld in de metro.

De wagon is niet langer leeg, maar ook niet vol. Het werd even geleden ingenomen door een twintigtal passagiers die er lummelen, ijsberen, lachen, tekenen, componeren, huilen, schrijven. De metro is een werveling van ideeën en dromen geworden.

Eerst kijkt Tito vanuit zijn stoel naar de anderen, nog niet zelfverzekerd genoeg om de vrouw te benaderen die drie stoelen verderop zit te schilderen of de blueszangeres met de opvallende make-up.

Cal daarentegen is onbevreesd en charmant, ook al herinnert hij zich minder dan Tito. Hij gaat op en neer door de wagon, gewikkeld in zijn mauve deken, en praat met iedereen. Maar hij komt altijd terug om naast Tito te gaan zitten. Soms met een beetje meer dan waarmee hij vertrok.

“Deze was ik vergeten!” zegt hij als hij terugkomt met zijn eigen briefjes, vol verhalen en cartoons over een albino superheld. “Creëer de held die je in de wereld wilt zien, denk ik,” zegt hij, terwijl hij langzaam door de pagina’s bladert, zijn ogen de tijd gunnend om zich op elk paneel te concentreren, en dat alles met een verrukte glimlach.

Zo vindt Tito de moed om met de schilderes drie stoelen verder te praten, haar onhandig te vertellen over zijn ongewone bouwschetsen en uit te leggen dat hij thuis op school werd gepest omdat hij een sullige, artritische tiener was. Hij verontschuldigt zich terwijl hij struikelt over zijn verhaal, beschaamd omdat hij onhandig is, ver van huis, en een beetje verdwaald.

Hij is stomverbaasd als de schilder hem niet veroordeelt. Ook de blueszangeres niet, toen hij verlegen om make-up tips vroeg.

Maar ze vragen waarom Tito in de metro zit.

Hij zegt bijna Ik wil ergens beter wil wonen, ergens waar ik me thuis voel. Dat is waarom hij op deze reis is gekomen. Toch?

“Ik wil meer zijn dan wat mensen denken dat ik ben,” zegt hij in plaats daarvan, en fronst.

Zijn verhaal is aan het veranderen. Nee, zijn redenen zijn aan het veranderen. Nee, hij verandert.

De metro is zeker aan het veranderen. Soms is het een stinkend en standaard voertuig voor openbaar vervoer. Soms is het een chique, retro stoomlocomotief. Soms is het een vis in een rivier. De transformaties zijn altijd plotseling, onverwacht. Soms knippert Tito met zijn ogen en is de metro nieuw en verbijsterend. Soms wordt hij wakker, kijkt rond, en het gevoel van déjà vu is zo sterk dat Tito denkt dat hij misselijk wordt.

Op een gegeven moment trekt hij aan de mouw van de conducteur/machinist/visser als ze door het gangpad loopt.

“Ben ik hier niet eerder geweest?” vraagt hij, wanhopiger dan hij wil klinken.

“Ja.” Haar uitdrukking is streng, zegt bijna: Heb je nog niet door dat de tijd heen en weer stroomt op het spoor?

“Oké, dus…gaan we naar de halte na het laatste station?” vraagt Tito. “Of er vandaan?”

De conductrice geeft hem een lange, doordringende blik. Dan breekt ze in een onverwachte grijns. “Ja,” zegt ze en loopt weg, Tito nog verwarder achterlatend dan voorheen.

Dit deel van de reis duurt maanden. Jaren. De tijd vervaagt en vloeit in elkaar over. Tito leert te ruilen, oogschaduw en mascara aan te brengen terwijl hij zijn vingerspalken draagt. Hij weet nog waarom hij lippenstift opdeed: als mensen toch naar hem staren, kan hij ze net zo goed iets moois geven om naar te lonken. Nu heeft hij de kunst geperfectioneerd.

Hij brengt uren door met ruziën, lachen en dromen met Cal terwijl de bouwontwerpen in zijn schetsboek steeds wilder, luider en gedurfder worden. Op rustigere momenten praat Cal over zijn familie, die hij achterliet zodat hij kon leren verhalen te vertellen.

“Ik wil gewoon een kunstleraar vinden die strips niet afwijst en een literatuurleraar die niet denkt dat graphic novels voor kinderen zijn,” zegt hij. “Dat moet toch niet zo moeilijk zijn?” Tito knikt begrijpend. “Ik heb wel geluk, mijn familie begrijpt waarom ik weg moest,” zegt hij luchtig, maar tranen welden op en poelen achter zijn bril. Tito slaat een arm om zijn vriend heen.

“En jij?” vraagt Cal. “Vond je familie het erg dat je wegging?”

Tito fronst zijn wenkbrauwen. “Ik denk het niet.” Maar hij raakt de foto in zijn zak aan. De waarheid is dat hij zich niet kan herinneren wie hij achterliet.

Ze reizen. Voorwaarts. Of achteruit. Maar altijd samen. Tito wordt goed in het ompraten van Cal uit zijn creatieve wanhoop en Cal helpt met het schetsen van kleine details, vooral als Tito moe is en elk gewricht in zijn lichaam klaagt.

Maar soms heeft hij zo’n last van zijn artritis, dat hij niet eens een potlood kan vasthouden.

Als dat gebeurt, komt de conductrice/medicus/levensredder altijd langs met ijskompressen en zalf die naar nootmuskaat ruikt. Ze weigert elke betaling hiervoor.

“Medische benodigdheden moeten altijd gratis zijn,” zegt ze, alsof het de meest vanzelfsprekende zaak is.

Voor het eerst realiseert Tito zich dat de conductrice ook een vriendin is. Dat ze er altijd al een is geweest. “Ik wil zoals jij zijn,” zegt hij tegen haar. Op dat moment, in deze verschuivende, veranderende metro, kan hij zich geen beter leven voorstellen. Alles worden, alles wat hij wil.

Haar ogen worden zachter. “Nee, dat wil je niet,” antwoordt ze. “Je bent jezelf. Je weet het alleen nog niet.”

Tito deinst terug, verbijsterd, gekwetst.

“Hé!” zegt Cal, protesterend namens Tito.

De conductrice wendt zich tot Cal. “Je halte komt eraan,” zegt ze tegen hem.

“Wat?” Vraagt Cal verward.

“Wat?” zegt ze.

Ze knippert een keer hard met haar ogen, en plotseling verandert de metro in een ruimteveer en staan er sterren buiten het raam te fonkelen als juwelen. Het uniform van de conductrice verandert in een astronautenpak en ze zwaait even voordat ze Cal en Tito geschokt achterlaat en gewichtloos boven hun zitplaatsen laat zweven.

Ze kijken elkaar aan, stomverbaasd. Dan barsten ze in lachen uit.

Later, als de zwaartekracht terugkeert en Cal vast slaapt op de stoel naast hem, bestudeert Tito voor de miljoenste keer de foto in zijn zak. Hij kan zich bijna herinneren wie de vrouw is. Haar naam is net buiten bereik.

Misschien heeft de conducteur gelijk. Hij wil niet iedereen zijn, niemand.

Hij wil gewoon een plek vinden waar hij zijn eigen rare, stijfkoppige, kleurrijke zelf kan zijn.

Nee, hij wil een plek vinden met mensen als de schilder, de blueszanger, de dirigent, en Cal, zonder in een liminale ruimte te zijn.

Nee. Eigenlijk wil hij stoppen met stukjes van zichzelf op te geven om daar te komen.

—————————-

Vijf munten. Tito geeft de eerste zo makkelijk weg. Hij ruilt zijn vijfde munt voor advies. Wat achteraf dom lijkt, omdat de metro nu vol zit met mensen, pratend, ruikend naar gefilterde koffie, die gratis dwaze adviezen geven. Soms merkt Tito dat de andere passagiers naar hem staren, maar voor één keer stoort hem dat niet. Hij geeft ze een warme glimlach. Soms glimlachen ze terug.

De conducteur/mentor/timekeeper zit op de stoel naast hem.

“Kunt u mij vertellen hoe ik de halte na het laatste station kan bereiken?” vraagt hij, terwijl hij het muntje overhandigt.

“Is dat echt wat je me wilt vragen?” vraagt ze, terwijl ze het met een zijdelingse blik aanneemt.

Tito aarzelt. “Waarom doe je dit werk?” vraagt hij.

Ze trekt verbaasd een wenkbrauw op, wat Tito verbaast, want hij had niet gedacht dat de conductrice verbaasd kon zijn. “Omdat ik er goed in ben. Bovendien helpt de metro veel meer mensen dan hij verliest.” Ze trekt haar pet lager. “Stel me nog een vraag. Doe het deftig.”

Hij friemelt met de tube lippenstift. Het is Parijs rood en bijna vol, wachtend met belofte.

“Wat zal ik vinden aan het eind van deze reis?” vraagt hij, niet in staat om haar ogen te ontmoeten.

De conducteur grijnst. “Dat is de juiste vraag.”

“Je bent niet bepaald behulpzaam,” zegt hij kreunend, terwijl hij zijn hoofd in zijn handen trekt. Achteraf gezien had hij die vijfde munt moeten gebruiken om te onderhandelen over extra pennen, puntenslijpers, of de vooruitziende blik om te weten dat hij niet moet verdwijnen alleen omdat hij niet helemaal bij de rest past.

“Ja, toch wel,” zegt de conducteur. “Hier. Ga hier zitten.”

Tito kijkt op en daar zit Cal. Zijn witte haar is in de war, zijn dikke bril staat een beetje scheef, en dat belachelijk mauve dekentje hangt over zijn schouder.

“Hoi, ik ben Cal,” zegt hij.

Tito zakt in elkaar van opluchting. “Ik vroeg me al af waar je was,” zegt hij.

Cal fronst verbaasd zijn wenkbrauwen. “Echt? Want ik ben net ingestapt. En dat is de enige stoel die niet bezet is,” zegt hij, wijzend naar de ruimte naast Tito. Het is waar, de metro zit weer vol met passagiers, allemaal op zoek naar kleingeld.

“Oh. Ik ben Tito.” Hij schuift aan en Cal ploft naast hem neer. “Hé, ik heb het nooit gevraagd, waarom heb je altijd dat dekentje bij je?”

“Dat is een rare eerste vraag.” Cal bloost lichtjes. “Niet lachen, oké? Maar het is wat ik gebruikte als een superheld cape toen ik een kind was. ” Hij buigt lichtjes, alsof hij zich schrap zet voor spot.

“Cool,” zegt Tito, knikkend “En nu?”

Cal knippert verbaasd met zijn ogen. “Nu heb ik het gewoon altijd koud,” antwoordt hij met een jongensachtige grijns en Tito lacht.

“Denk je dat er na het laatste station nog echt een halte is?” vraagt Tito.

“Dat kan maar beter zo zijn. Ik heb veel betaald voor mijn zes muntjes.”

Tito bijt op zijn lip, aarzelt, maar vraagt het dan toch. “Maar wat als die er niet is? Of dat het niet goed voor ons is?”

Cal grijnst, ondeugend. “Tja, dan krijg ik mijn geld terug en kom ik terug.”

Opluchting, alsof hij al jaren zijn adem heeft ingehouden, stroomt door Tito heen. Hij grijnst terug. “Ja, ik ook,” zegt hij en nestelt zich naast Cal.

Hij heeft nog een lange reis voor de boeg.

Nee, hij is er bijna.

—————————-

Op de dag dat Tito vijf jaar van zijn leven en al zijn spaargeld inruilt voor zes zilveren munten, ontmoet zijn moeder hem bij de metro. Hij geloofde nooit dat er een halte was na het laatste station. Totdat hij dat deed. Totdat hij het nodig had.

Hij kan zich niet precies herinneren wat hem naar de serveerster/ makelaar/orakel in het goedkope koffiehuis stuurde voor de muntjes. Het was niets origineels, zoveel weet hij nog. Niets ambitieus of sluw. Maar soms is het een belediging te veel, een wreedheid te scherp. Soms moet je weggaan om te leren. Soms moet je terugkomen om te worden.

Zijn moeder wacht boven aan de metrotrap op hem, bijtend op haar lip. Hij herinnert zich de tube rode lippenstift in zijn zak. Die van haar, die ze hem gaf toen hij zei dat hij iemand anders wilde zijn, wie dan ook. Zijn moeder was een toneelspeelster, serveerster, verpleegster. Ze begreep de kracht van transformatie. Ze geeft hem een foto van hen beiden.

“Mama, ik ga op reis. Ik ga niet dood.”

Ze knikt, maar de bezorgdheid is er nog steeds. “Wat als je daar aankomt en het is niet wat je wilt?”

Tito haalt de muntjes uit zijn zak. De serveerster/makelaar/orakel noemde ze stukjes van hemzelf. Vijf ervan zijn aangetast. Gebruikt. Omgeruild en teruggevorderd. De zesde is onaangeroerd.

Het kost Tito twee en een half jaar om de halte na het laatste station te bereiken, om te ontdekken hoe hij niet moet verdwijnen.

En twee en een half jaar om weer terug te keren. Om te leren hoe hij een portfolio moet samenstellen van alle gebouwen die hij wil ontwerpen. Hoe hij onbevreesd blush en groene mascara kan dragen. Hoe hij vrienden kan maken en de wereld die hij kent onder ogen kan komen.

“Wat als het niet is wat je wilt?” vraagt zijn moeder opnieuw.

Tito’s vingers krullen zich om zijn laatste glimmende penning. “Dan kom ik terug en probeer ik het opnieuw.”

© 2021 A.T. Greenblatt. Vertaling Goran Lowie. Oorspronkelijk gepubliceerd in Uncanny Magazine, November-December 2021. 

A.T. Greenblatt
Website | + posts

A.T. Greenblatt is een Nebula Award-winnende schrijfster en bouwkundig ingenieur. Ze staat erom bekend dat ze haar vrienden regelmatig onderwerpt aan verschillende kook- en brouwexperimenten. Haar werk werd genomineerd voor een Hugo, Locus en Sturgeon Award, is opgenomen in verschillende verzamelingen van Beste Kortverhalen van het Jaar, en ze verscheen in heel wat bekende magazines. Je kunt haar online vinden op atgreenblatt.com en op Twitter op @AtGreenblatt.

Be First to Comment

    Een reactie achterlaten

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

    Speculatief Magazine © 2022